Publicaties

 

Teksten cover

(Titel) DE ROOIE RUG
Voor een toekomst zonder zorgen

-Flip de Kam over uw belastingvoordelen.
-Financiële wenken voor een prettige 'derde jeugd'
-Pensioenmiljarden wachten op gediscrimineerde vrouwen
-Paul Rosenmöller: "Ik weet niets van mijn pensioenbreuk."

COLOFON
De Rooie Rug
Bijlage bij Vrij Nederland van 9 maart 1996

Uitgever, WeekbladPers Tijdschriften BV
produktie & Postbus 1050
advertenties: 1000 BB Amsterdam
(020)5518538

Bladmanager: Menno Boot
Eindredactie en coördinatie: Marjo Visser
Tekstredactie: Jan Classens
Medewerkers: Saskia Engbers, Flip de Kam, Corine Lepoutre, Jorien Sprokholt, Jeroen Visser
Fotografie: Inge Yspeert
Infographics: Carel Zaal
Vormgeving en omslagontwerp: Jaap van der Zwan, Amsterdam
Druk: Brouwer Offset, Delft

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.

INHOUDSOPGAVE

- Uw kansen op 70 procent van uw laatstverdiende salaris.
- De pensioensituatie van Jan Marijnissen.
- Hoe ontstaat pensioenbreuk?
- Hoeveel soelaas biedt waardeoverdracht?
- Het verschil tussen de betere en slechtere pensioensystemen.
- AOW laatste tien jaar al 6 procent in waarde gedaald. Wat is de toekomst?
- Royalere mogelijkheden voor belastingvrij en flexibel reserveren voor later.
- Het bedrijf met het meest flexibele pensioensysteem.
- Maatwerk in pensioenen altijd nog goedkoper dan confectie.
- Bedrijfspensioenfondsen nog huiverig voor flexibiliteit.
- Professor Boot over de te hoge bijkomende kosten van koopsompolissen.
- Welke financiële oudedagsvoorziening verschijnt als de beste uit het vergelijkend onderzoek van Coopers & Lybrand.
- Hoe voorkomt u dat uw pensioenappel wordt opgegeten door de inflatie?

Kaders

- Echtscheiding en pensioen.
- Reparatie pensioenrechten van gediscrimineerde vrouwen zeer kansrijk.
- Fiscaalvriendelijke mogelijkheden voor reserveren voor later.
- Column Flip de Kam: "Pensioenspaarvarkens steeds vetter."
- AOW en de politiek.
- Rosenmöller: "Ik leid een dubbelleven".
- Nieuwe flexibele mogelijkheden op een rij.

VOORWOORD

Voor de oudedagsvoorziening spaart Nederland, de pensioenkapitalist van de wereld, bergen 'rooie ruggen': bargoens voor een duizendje. Op de top daarvan zitten de pensioenfondsen als ware oom Dagoberts.
Hun gezamenlijke 725 miljard en bijbehorende belastingvoordelen oefenen een grotere economische invloed uit dan verwacht, zo blijkt uit de column van Flip de Kam in deze uitgave. De aanleiding daarvoor vormen de nieuwe flexibele mogelijkheden om belastingvrij pensioen te reserveren voor later.
In hoeverre biedt die nieuwe flexibilisering kansen om pensioenbreuken te helen? Hieraan besteden we volop aandacht, net als aan de bestaande individuele mogelijkheden om met belastingvoordelen te reserveren voor later, met bijvoorbeeld koopsompolissen. Door middel van rekenvoorbeelden vergelijken we het resultaat van diverse financiële produkten. Het fiscaalvriendelijke groene beleggen springt hier bijvoorbeeld zeer gunstig uit.
Wat opvalt is dat het vele rooie ruggen kost om een aardig bedrag op te bouwen. Wist u dat vrijwel geen secundaire beloning zoveel waard is als een goede pensioenvoorziening. Meestal vertegenwoordigt dit, afhankelijk van de leeftijd, zo'n tien tot vijftien procent van het bruto salaris. Lang niet iedereen denkt hieraan tijdens afrondende sollicitatiegesprekken met een werkgever zonder goede pensioenfaciliteiten. Dat is niet verwonderlijk als je bedenkt dat veel mensen weinig afweten van hun pensioensituatie. De meeste fondsen houden de deelnemers niet jaarlijks op de hoogte van hun tegoed. Daarbij zijn de reglementen ook zeer ontoegankelijk omschreven. In dit blad maken we duidelijk dat het uiteindelijk niet zo ingewikkeld in elkaar zit.
Kennis over de pensioenwereld en de kenmerken van een 'goede' en een 'slechte' regeling worden steeds relevanter, nu een toenemend aantal bedrijven studeert op bezuiniging op de pensioenpremies. Steeds meer lijkt het motto, ieder voor zich. Hopelijk is er nu en straks voldoende 'rooie rug'(gegraad) om de onderlinge solidariteit tussen de verschillende generaties in stand te houden.

(chapeau)UW FINANCIËLE TOEKOMST:
(kop)Kruimels of 'a piece of the cake'?

Tekst: Marjo Visser

Vanaf 2010 rolt de grijze golf met toenemende kracht over Nederland. Daarentegen krimpt het groene reservoir, de werkenden, die de AOW-premies opbrengen voor het sterk groeiende aantal senioren. Zal de Jan Modaal van de jaren twintig en dertig van de volgende eeuw, uiteindelijk wel eenderde deel van zijn bruto loon willen afstaan voor de AOW-uitkering van de senioren?
Niet uitsluitend de politiek en tal van bedrijven en maatschappelijke organisaties houden zich tegenwoordig met die vraag bezig, ook daarbuiten hoor je opeens de woorden 'pensioen', 'koopsompolis', 'oudedagsvoorziening' vallen in kringen die schrikken van het predikaat 'jonge oudere'. Misschien praten zelfs dertigers erover omdat hun werkgever de toekomstige dure AOW-bui ziet hangen, en over wil stappen op een goedkoper pensioensysteem. Wanneer gebruik wordt gemaakt van de flexibele pensioenmogelijkheden die de fiscus toestaat, heeft dat niet alleen nadelen. Zelfs een 'sabbatical year' hoeft dan geen pensioenbreuk te betekenen. In hoeverre bieden de pensioenfondsen dergelijke mogelijkheden al op individuele basis? Hoe lonend is 'doe-het-zelven' met verzekeringsprodukten zoals kapitaalverzekeringen. Hoe groot is de vermoedelijke pensioenschade van 'jobhoppen'? In hoeverre is pensioendiscriminatie aan te pakken? En wordt de oudedagsvoorziening fifty/fifty gedeeld na een scheiding? Een greep uit de vragen waarop u een antwoord vindt in deze 'special'.

Krijgt u, wanneer u aan uw derde jeugd begint, 70 procent van uw laatstgenoten salaris? Misschien behoort u tot de 'happy few' van zo'n acht procent die dit straks inderdaad ziet verschijnen op het bank- of giro-afschrift. Vermoedelijk wel als u uw pensioenfonds en de bijbehorende werkgever(s) veertig(!) jaar trouw blijft. Maar ook als u van de ene naar de andere job 'hopt', is dit mogelijk. Een goede onderhandelingspositie en zakelijk talent doen vaak wonderen. Helaas brengen arbeidsongeschiktheid, werkloosheid, ouderschapsverlof of een deeltijdbaan vaak een kink in de kabel van de felbegeerde 70 procent. Bovendien slinken of stijgen uw persoonlijke pensioenrechten door echtscheiding evenredig met het aantal jaren dat het huwelijk standhield (zie kader). Verder lopen veel vrouwen een niet geringe kans te weinig op te bouwen, omdat ze tot de jaren negentig vaak buitengesloten waren van een pensioenregeling. Wanneer ze actie ondernemen, is de kans zeer groot dat werkgevers en fondsen alsnog premie afdragen (zie kader).

Marijnissen's pensioenperikelen
Een vaste baan biedt niet altijd garantie voor pensioenopbouw, zo blijkt voor ruim een half miljoen Nederlanders. Voor de minimumloners wordt meestal niets gereserveerd, omdat de werkgever en het fonds er optimistisch vanuit gaan dat de AOW altijd op het niveau van het minimumloon zal blijven. En dat is meer dan 70 procent van het 'gewone' loon, zo redeneren ze. Eén van de mensen die daarom lange tijd buiten de pensioenboot viel, is Jan Marijnissen, de voorman van de Socialistische Partij (SP). Tot 1985 maakte hij als produktiemedewerker ijsco's respectievelijk worsten en werkte als lasser in de metaalindustrie. Tegelijkertijd startte hij zijn politieke carrière via de gemeenteraad van Oss en de Provinciale Staten van Noord-Brabant. De f 12.000,- vergoeding daarvoor leverde hem geen pensioenrechten op. Hetzelfde gold voor zijn inkomen van de SP, waarvan hij secretaris was. Maar sinds zijn aantreden in de Tweede Kamer in '94, bouwt hij net als andere kamerleden aan een financiële reserve voor later. Dat hij pas sinds kort pensioenrechten geniet, vindt de 41-jarige Marijnissen geen probleem: "Ik ben gewend om van een bescheiden inkomen te leven. Ikzelf verdien f 2500,- netto per maand. De rest van mijn schadeloosstelling van zo'n anderhalve ton per jaar voor het werk in de Tweede Kamer gaat naar de kas van de Socialistische Partij. Ik kan er later dus niet erg veel op achteruit gaan."

Pensioen: 10-20 % brutoloon
Een goede functie betekent niet automatisch dat je werkgever maandelijks pensioenduiten voor je reserveert. Voor diverse bovenmodalen, zoals hoofdredacteuren en marketingmanagers, is niets geregeld. Een pensioenregeling is binnen diverse bedrijfstakken namelijk geen wettelijke verplichting. De bijbehorende werkgevers constateren doorgaans tevreden dat de meeste werknemers zich drukker maken om de lease-auto dan om hun pensioen, terwijl een reguliere pensioenvoorziening al snel een waarde vertegenwoordigt van 10 procent van het brutoloon voor een dertiger en minstens de helft meer voor een vijftiger. Voor oudere werknemers zijn de premies hoger, omdat ze nog maar een paar jaar kunnen worden belegd voordat de uitkeringen aanvangen, zo vertellen Pieter Langereis en Adriaan Smits, pensioenadviseurs bij Coopers & Lybrand, één van de grote bedrijfsadviesbureaus. Ze kunnen zich tevens uitstekend verplaatsen in de positie van de werknemer. "Wanneer een werkgever geen collectieve regeling heeft getroffen of deze wil opzetten, adviseren we te vragen om compensatie, zoals loonsverhoging, of te verzoeken om een individuele pensioenspaarpot bij een verzekeringsmaatschappij. Bijvoorbeeld in de vorm van een C-polis. Het voordeel daarvan is dat je die zonder problemen meeneemt naar een volgende werkgever."

Arbeidstrouw beloond
Genoemde C-polis is qua ongebondenheid al lange tijd een buitenbeentje in pensioenland, want bijna alle duizend Nederlandse pensioenfondsen gaan er nog net als in hun begintijd - vaak meer dan 45 jaar geleden - vanuit dat pensioen vooral een 'gunst' is van de werkgever om arbeidstrouw te belonen. Vanuit die gedachte vinden vele fondsen het de gewoonste zaak van de wereld om het rendement op het tegoed van de 'vertrekkers' over te hevelen naar de pot voor de blijvers. Zo wordt het kleine pensioenappeltje van de 'jobhopper' snel opgegeten door de inflatie. Deze geldontwaarding van de oude tegoeden is de belangrijkste oorzaak van het verschijnsel 'pensioenbreuk'.

'Pensioenbreukeling'
De vutter Pieter de Wind, ex-directeur van de RTV-combinatie (Vara, NCRV, KRO) is één van de naar schatting 1,4 miljoen Nederlandse 'pensioenbreukelingen'. Hij rekent voor: "Als commercieel medewerker bij uitgever Kluwer had ik tussen 1957 en 1963 een vast jaarlijks salaris, exclusief provisie, van zo'n f 6000,-. Per jaar bouwde je dan 1,75 procent (want 1,75 maal 40 dienstjaren is 70 procent) pensioenrechten op. Berekend over zo'n f 6000,- is dat f 132,- per pensioenjaar. Dat levert dus, als ik volgend jaar 65 word, hooguit ruim een tientje per maand pensioen op. Als Nationale Nederlanden, waar Kluwer het fonds had ondergebracht, dit wel had aangepast aan de geldontwaarding, dan was het aangegroeid tot zo'n ruime f 500,-: ruim f 40,- per maand voor ieder vroeger jaar bij deze uitgeverij."
Meestal stijgt een salaris procentueel echter sneller dan de inflatie. "Stel dat ik bij Kluwer was blijven werken en net als een even oude collega promotie had gemaakt en was uitgekomen op een eindsalaris van f 160.000,-. Dan wordt de berekening wat ingewikkelder, omdat je dan jaarlijks een bedrag van je salaris af moet halen ongeveer ter hoogte van een AOW-uitkering van dat moment, maar het komt neer op zo'n f 2250,- per jaar. Dat is zo'n f 190,- per maand, bijna 19 maal zoveel als ik nu krijg. Een volstrekt ongelijke behandeling dus tussen blijver en vertrekker."
"Steeds wanneer je van baan veranderde, bleef je steken op het laatstverdiende salaris dat je bij een werkgever verdiende. Alleen bij waardeoverdracht, dat sinds juli '94 verplicht is, groeien de oude rechten grotendeels mee met de nieuwe."
Pieter kwam er op zijn 53-ste, tijdens zijn laatste baanwisseling van advertentiedirecteur Trouw/de Volkskrant naar directeur RTV-combinatie, achter dat hij op zijn 65-ste maar 45 procent pensioen zou ontvangen. Het lukte hem om dit door middel van waardeoverdrachten belangrijk te verhogen. Wat zeker meewerkte was, dat hij werd gevraagd voor deze baan en de RTV-combinatie over uitstekende pensioenvoorzieningen beschikt.
De meeste mensen dromen alleen van zo'n goede onderhandelingspositie. De Wind: "Voor Jan Modaal betekent pensioenbreuk nagenoeg armoe troef. Bijna vijftig procent van de gepensioneerden krijgt naast de AOW niet meer dan f 300,- bruto pensioen per maand (zie grafiek)." Specifiek voor diegenen die niet over zo'n fortuinlijke pensioensituatie beschikken, richtte De Wind zo'n tien jaar geleden de Vereniging Aanpak Pensioenbreuk (VAP) op om op te komen voor hun belangen. Een belangrijk actiepunt is proberen te bewerkstelligen dat de pensioenaanspraak van de 'slapers' wordt geïndexeerd, zoals de pensioenfondsen diegenen noemen die niet meer bij de bijbehorende werkgever werken. Inmiddels zijn veel van deze 'vertrekkers' al volop wakker geworden. Iets dat mede leidde tot de aanname van de Wet Nypels/Groenman in '92, die stelt dat de 'slaper' wettelijk dezelfde behandeling moet krijgen als de blijver. "Helaas is indexatie alleen verplicht voor pensioenfondsen die al een waardevast pensioen bieden. Dit zijn doorgaans de fondsen van bedrijfstakken waar pensioenopbouw verplicht is gesteld. Tachtig procent van de levensverzekeringsbedrijven, waar de overige bedrijven hun pensioengelden stallen, indexeren echter voor niemand." De slechten mogen dus slecht blijven. Dit onder het mom van 'geen geld'? "Er is geld genoeg, maar pensioenbeheerders blijven er liever op zitten. Je reinste Dagobertisme", aldus De Wind.

Waardeoverdracht, een oplossing?
In hoeverre biedt het - sinds juli 1994 wettelijke - recht op waardeoverdracht een oplossing voor de pensioenbreukelingen? De Wind: "De wet kent geen terugwerkende kracht, dus hebben uitsluitend diegenen die na juli '94 van baan wisselden er iets aan. Voornamelijk de jongere generaties dus." Volgens pensioenadviseur Pieter Langereis is volledige waardeoverdracht meestal alleen mogelijk als je nieuwe salaris niet hoger is dan het oude. "Meestal biedt een werkgever wèl loonsverhoging. In dat geval wordt dat verhoudingsgewijs in mindering gebracht op de pensioenjaren bij de vorige werkgever." Toch is dat zeker een grote verbetering vergeleken bij de oude situatie.
Of waardeoverdracht verstandig is, hangt af van de vraag wat je had en wat je krijgt. Adriaan Smits: "Als het fonds van je vorige werkgever indexeert en je verwacht geen grote carrièresprongen, laat het dan waar het is. Los daarvan hangt de zin van waardeoverdracht ook af van de soort pensioenregeling(en) die je hebt."

PENSIOENREGELINGEN (met onderliggende kleur in de kolom)
Grofweg zijn pensioenregelingen in de onderstaande hokjes te plaatsen:
- Beschikbare premieregeling
Deze komt niet meer zoveel voor, maar diverse werkgevers studeren op (her)invoering vanwege flexibele mogelijkheden en kostenbeheersing; jaarlijks wordt een vaststaand bedrag gereserveerd, meestal een percentage van het salaris. Nadeel voor de werknemer is de onvoorspelbaarheid van het uiteindelijke pensioenbedrag.
- Eindloonregeling(ook wel 'final pay'-regeling)
Deze geldt voor zeventig procent van de pensioenopbouwende Nederlandse werknemers. Wie veertig jaar bij hetzelfde pensioenfonds blijft, krijgt 70 procent van het laatstverdiende loon. De eindloonregeling is over het algemeen de beste regeling in pensioenland voor zowel carrièremakers als alle anderen. Het is bovendien de enige regeling die het koopkrachtverlies van de AOW meestal volledig compenseert.
- Middelloonsysteem
Dit systeem biedt 70 procent van het 'gemiddelde salaris' bij een veertigjarig onafgebroken dienstverband. Iedere baanwisseling van vóór '94 levert op een soortgelijke manier een pensioenbreuk op als bij de eindloonregeling. Alleen gaat men hier uit van het gemiddelde in plaats van het hoogste salaris bij iedere werkgever.

Iedereen er op achteruit
Sommige ondernemingen, zoals de Rabobank, veranderden de eindloonregeling in de voor hen goedkopere middelloonregeling en sinds kort studeert Philips op dezelfde omzetting. Dit voornamelijk met het argument dat het 'rechtvaardiger' is, want wie de ene salarisverhoging op de andere stapelt, krijgt later een veel hoger pensioen dan wie onderaan de ladder bleef staan. Mogelijk verdoezelt dit gegeven, net als de beloofde stijging van het beschikbare pensioenopbouwpercentage van 1,75 naar 2 procent per jaar, de realiteit dat praktisch iedereen er uiteindelijk op achteruit gaat bij de omzetting van een eind- naar een middelloonsysteem. Zo wordt het koopkrachtverlies van de AOW in laatstgenoemd systeem vaak voor een kleiner deel gecompenseerd. Binnen de eindloonregeling wordt die 70 procent namelijk inclusief het staatspensioen gegarandeerd. Wanneer de AOW niet meegroeit met de lonen, moeten de pensioenfondsen het verschil bijpassen. In de afgelopen tien jaar bleef de oudedagsuitkering van de overheid al in totaal 6 procent achter bij de loonontwikkeling, aldus een onderzoek van Coopers & Lybrand.

Grijze bui
Die ontwaarding van de AOW-uitkering vormt één van de grote kopzorgen van de pensioenfondsen: ze zien de bui al hangen. Nu wordt de AOW voor iedere gepensioneerde verhoudingsgewijs nog opgebracht door vijf werkenden/uitkeringsgerechtigden onder de 65. In 2020 is dat aantal geslonken tot drie en in 2040 tot twee. Wat gaat er gebeuren als de naoorlogse inhaalslag in de geboorten, de 'babyboomers', massaal gaan pensioneren? Zijn de Jan Modalen tussen het kleine aantal 20- tot 64-jarigen bereid om, volgens een prognose van Flip de Kam, ongeveer eenderde deel van hun brutoloon af te staan voor een AOW op minimumloon-niveau?

Royalere mogelijkheden
Met het oog op de financiële problemen rondom de naderende vergrijzing, de afbrokkelende VUT en de toenemende individualisering besloot het kabinet in september '95 royalere mogelijkheden te creëren om belastingvrij pensioen op te bouwen, via pensioenfondsen en levensverzekeringen. Eén van de wijzigingen is bijvoorbeeld dat uw latere pensioenuitkering mag oplopen tot 100 procent van het salaris. Nieuw is ook dat dit kan ingaan op uw 55-ste. Met name voor 'pensioenbreukelingen' is de nieuwe mogelijkheid voor aankoop van extra dienstjaren interessant. Hetzelfde geldt voor de regel dat je ook pensioenrechten kunt opbouwen over extra beloningen, zoals ploegendiensttoeslagen, winstuitkeringen en de auto van de zaak (zie verder kader voor de volledige lijst).
Overigens pasten de verzekeringsmaatschappijen al ver voor september '95 diverse nieuwe flexibele mogelijkheden toe, die de fiscus oogluikend toestond. Het ging vooral om pensioencontracten voor individuele deelnemers, door verzekeraars vaak aangeduid als 'universal life'-produkten.
"Er is veel belangstelling voor de flexibele mogelijkheden, maar veel bedrijven studeren daar nog op, zoals Philips", aldus Adriaan Smits. De ondernemingen die deze mogelijkheden al invoerden, zoals Unilever, Dow Chemical, Akzo en Wavin, combineerden dit met het vervangen van de VUT door flexibel pré-pensioen.

Flexibeler kan niet
Smits: "Coopers & Lybrand bezit volgens de vakpers momenteel de meest flexibele pensioenregeling die denkbaar is. Alles wat er op fiscaal gebied extra mogelijk is, zit er bij ons in." Wel is het bedrijf van een eindloonregeling overgestapt op een beschikbare premieregeling, waarmee de kostenbeheersing optimaal is. Smits: "De ondernemingsraad zag er nauwlettend op toe dat er geen sprake was van een bezuinigingsoperatie. Het bedrag dat de werkgever nu voor iedereen reserveert, is gebaseerd op wat anders via een eindloonregeling uitgegeven zou worden aan de gemiddelde Coopers & Lybrand-medewerker."
Volgens Smits vinden de werknemers "dat ze veel meer hebben aan dit individuele systeem dan aan de standaardregeling uit het verleden. Ikzelf had bijvoorbeeld geen behoefte aan nabestaandenpensioen, want ik had geen partner, maar daar werd binnen het oude systeem toch voor betaald. Nu krijg ik het pensioengeld zelf in handen en bepaal ik zelf wat ik wil."

Maatwerk duurder
Flexibele pensionering brengt altijd hogere kosten met zich mee, zo stelt Flip de Kam in zijn boek 'De Tijdbom, over de vergrijzing'. Aan maatwerk hangt een hoger prijskaartje dan aan confectie. Dat betekent, volgens een vakblad voor pensioenadviseurs, in de meeste gevallen hogere premies of lagere pensioenuitkeringen. Zullen werkgevers hogere premies voor hun rekening willen nemen? Smits: "Doorgaans niet. Alleen als je een hele schaarse werknemer bent en een werkgever je graag wil houden, kan dat het geval zijn."

Eén en al flexibiliteit
Het bovenstaande heeft veel te maken met de reden waarom de flexibilisering wel van de grond begint te komen bij de verzekeraars en de bijbehorende ondernemingspensioenfondsen, maar nog nauwelijks bij het andere grote pensioenkamp: de verplicht gestelde pensioenfondsen van de bedrijfstakken. Deze worden belemmerd door de voorwaarde van minister Zalm en staatssecretaris Linschoten dat individuele flexibele pensioenmaatregelen alleen mogelijk zijn als de werkgever garant staat voor de helft van de pecunia. Dit was reden voor directeur D.J. de Beus van het PGGM, het pensioenfonds voor de sector zorg en welzijn, om als eerste een eigen verzekeringsmaatschappij voor de eigen deelnemers op te richten. Via deze maatschappij is vrijwel elke denkbare individuele pensioenwens te realiseren.
De Beus wil via de collectieve pensioenregeling voor de zorgsector maar gedeeltelijk flexibiliseren, nu Zalm overweegt zijn eisen te versoepelen. Er wordt bij de PGGM momenteel vrijwel uitsluitend gepraat over pré-pensioen en het verlagen van de toetredingsleeftijd tot het fonds. De Beus peinst er niet over toe te staan dat de jaarlijkse pensioenopbouw op individuele basis verhoogd kan worden van 1,75 naar 2 procent per jaar. "Hier gaan voornamelijk oudere werknemers gebruik van maken en dat kost ons veel extra geld dat ten koste gaat van de andere deelnemers. Als het één en al flexibiliteit wordt, dan wordt het voor iedereen een stuk duurder", aldus de directeur van een van de meest vooruitstrevende grote pensioenfondsen.
De verplichte fondsen van de bedrijfstakken zouden de flexibele pensionering in feite een stuk goedkoper kunnen aanbieden dan de verzekeraars, want hun kosten liggen veel lager vanwege het ontbreken van aandeelhouders, tussenpersonen en vennootschapsbelasting.

Doe-het-zelven
Wie later extra pensioen wil en dat zelf moet betalen, hoeft met een eventuele flexibele regeling, via de werkgever, niet altijd het meest economisch uit te zijn. Het kan lonen om te 'doe-het-zelven' op de verzekeringsmarkt, bijvoorbeeld door een koopsompolis af te sluiten. Daarmee kun je een aardig bedrag belastingvrij reserveren voor later (zie kader). Wie rondkijkt bij de kramen met koopsompolissen met 'gegarandeerd eindkapitaal', ontdekt al snel dat dit loont. Voor een koopsompolis van f 11.268,-, die twintig jaar vaststaat, gaf de laagste bieder f 26.323,- en de hoogste f 40.758,-, zo bleek uit een vergelijkend onderzoek van het bureau Moneyview van juni '95. Overigens valt in die vergelijkende onderzoeken meestal op dat de verzekeringsmaatschappijen - die je zelf rechtstreeks kunt bellen, omdat ze werken zonder tussenpersonen - bijna altijd in de Moneyview top 10 staan, zeker als ze werken zonder winstoogmerk. Verzekeringen afsluiten via tussenpersonen kan voordelen hebben, maar ze opereren niet allemaal zo objectief als ze suggereren.
"Zelfs tussenpersonen weten vaak niet hoe hoog de bijkomende kosten van koopsompolissen zijn, want verzekeringsmaatschappijen proberen hun voorwaarden zo min mogelijk inzichtelijk en nauwelijks vergelijkbaar te maken", zo stelt professor Arnoud W.A. Boot van de vakgroep financieel management van de Universiteit van Amsterdam. Hij deed een onderzoek naar de bijkomende kosten die verzekeringsmaatschappijen in mindering brengen op het werkelijke resultaat van koopsompolissen met eindkapitalen gebaseerd op prognoses. Boot: "In enkele gevallen gaat het om 10, maar vaker om ruim 20 procent kosten voor losse koopsomstortingen. Bij de vaste koopsomcontracten, waarbij maandelijks premie wordt gestort, kan dit oplopen tot veertig procent. Zo verdwijnt een belangrijk deel van het belastingvoordeel in de zakken van de verzekeraars."
Persvoorlichter G. Kloosterboer van het Verbond van Verzekeraars reageert op het rapport met: "Hoe kunnen verzekeraars nu geld van de fiscus in hun zak stoppen?" Daarnaast stelt hij dat zijn Verbond al bezig is een code voor verzekeraars op te stellen die hen verplicht hun voorwaarden inzichtelijker te maken.

Gulheid van de fiscus
De duiten van de fiscus vullen echter voor een belangrijk deel de persoonlijke pensioenspaarpotten. In welke mate, hangt sterk af van de spaar- of beleggingsvorm waarvoor je kiest, zo blijkt uit de vergelijkende berekening van Pieter Langereis en Adriaan Smits (zie staatje). Hierbij gaan we uit van het fictieve personage Herman van Rijswijk (45), een grafisch ontwerper, die vijftig procent belasting betaalt. Herman doet al mee aan een spaarloonregeling. Heel verstandig, want deze levert dubbel belastingvoordeel. Met een inkomen in de vijftig procent-schijf kost het Herman geen cent om na twintig jaar een leuk bedrag om te kunnen zetten in een jaarlijkse lijfrente na zijn 65-ste. (zie verder kader). Maar daarmee is zijn pensioengat nog niet gedicht. Daarom wil hij tot zijn 65-ste jaarlijks f 2500,- netto of f 5000,- bruto reserveren. Hoe kan hij dit appeltje voor de oude dag zo goed mogelijk laten groeien via de overige mogelijkheden? Om de fiscale uitwerking, een constante factor, zo zuiver mogelijk te laten zien, besloten Smits en Langereis om alle bank- en verzekeringsprodukten een vast rendement van 6 procent per jaar te geven. Daarnaast gingen ze er vanuit dat Herman zijn belastingvrijstelling voor rente en dividend al geheel had benut. De belastingvrijstelling bedraagt per persoon f 1000,-, per stel f 2000,- en voor ieder minderjarig kind f 500,-. Herman woont samen met Antje en ze hebben geen kinderen, dus hij heeft f 2000,- vrijstelling. Omdat die al is verbruikt, levert gewoon sparen hem na twintig jaar f 2500,- netto-inleg maar f 69.000,- op, althans gebaseerd op 6 procent; momenteel is dat hooguit ruim 4,5 procent.

'Best of both worlds'
Verbaasd constateert Herman dat het eindbedrag f 97.000,- is, bij het fiscaal vrijgestelde 'Groene Beleggen', waarmee je onbeperkt belastingvrij rendement kunt opbouwen (zie kader). Bijna te mooi om waar te zijn: bijdragen aan een schoner milieu en ook nog optimaal verdienen. Hoewel, vaak ligt het rendement lager dan 6 procent. Zo boden Rabobank en Robeco met het Groenrente Fund, dat in windenergie belegt, vorig jaar gegarandeerd 4,25 procent voor een vaste termijn van zeven jaar.
Een ander meer confessioneel produkt om belasting te besparen is het vermogensgroeifonds. Als Herman hiervoor kiest, levert hem dat met een jaarlijkse storting van f 2500,- na twintig jaar in totaal netto f 77.000,- op. Hij betaalt over de opbrengst geen gewone inkomensbelasting, maar wel wordt de opbrengst verlaagd met vennootschapsbelasting, die hooguit 35 procent is. Nadeel is dat dergelijke fondsen koersfluctuaties kennen en dat de totale opbrengst tegenwoordig jaarlijks hooguit zo'n 6 procent is, als je kiest voor een 'safe' depositofonds (voor meer info: zie kader).

Belastingvrij genieten
Een vierde mogelijkheid is kiezen voor een kapitaalverzekering. Herman stort dan jaarlijks netto f 2500,- en na twintig jaar strijkt hij geheel belastingvrij het gegarandeerde bedrag van f 88.000,- op, althans wanneer hij een verzekeraar weet te vinden die niet meer dan 10 procent kosten rekent. Als de kosten dubbel zo hoog zijn, blijft er maar f 78.000,- over. Volgens adviseur M. Kreukniet van assurantiekantoor Kreukniet uit Rotterdam is de kapitaalverzekering voor Herman momenteel een interessantere optie dan de koopsompolis. Het gegarandeerde rendement van de koopsom wordt bepaald door de marktrente en die is momenteel maar 5,5 procent. Bij een kapitaalverzekering is het gegarandeerde rendement al 4,5 procent en daarbij krijg je nog een winstdelingsuitkering van momenteel gemiddeld 3 procent, dus opgeteld is 7,5 procent haalbaar.
Tot slot zou Herman ook kunnen besluiten geld in een pensioenfonds te storten. Deze zijn er in vele soorten en maten en kennen vele verschillende regelingen. Deze fondsen zijn veelal ondergebracht bij een verzekeraar en werken volgens het koopsomprincipe.

De beloning?
De uitkering, lijfrente genaamd, in de tweede kolom van de tabel, is de beloning voor alle spaarzucht. Deze baseerden we eveneens op 6 procent; dit is momenteel aan de hoge kant. Zo'n lijfrente is duidelijk een verzekeringsprodukt, want wordt Herman 115 jaar, dan betaalt de verzekeraar 50 jaar lang een bedrag van rond de 7 à 10 procent van het eindkapitaal. Maar haalt hij niet meer dan 66 jaar, dan verdient de maatschappij er flink aan.
Een alternatief voor een lijfrente is het kapitaal investeren in bijvoorbeeld een vermogensgroeifonds, zoals in het voorbeeld bij de kapitaalverzekering. De jaarlijkse opbrengst is weliswaar lager dan van een lijfrente, maar de spaarpot blijft intact voor de nabestaanden. Daarbij biedt deze ook voordelen, omdat Herman dan maar 35 procent belasting hoeft te betalen in plaats van 50 procent over rente op bijvoorbeeld een spaartegoed. De pech van een kapitaalverzekering omzetten in een lijfrente-uitkering is dat je dan belasting betaalt over het rendement van de inleg. Bij een koopsom ben je uitsluitend iets verschuldigd over de uiteindelijke lijfrente-uitkering, terwijl je de koopsom in eerste instantie van de belasting mag aftrekken. Daarom biedt deze een hogere lijfrente.
Een punt van overweging voor wie twijfelt tussen een bank- of een verzekeringsprodukt is dat de Nederlandsche Bank bij faillissement van een bank, een verloren gegane inleg vergoedt tot maximaal f 41.000,- per persoon. De slachtoffers van de failliete verzekeringsmaatschappij Vie d'Or hebben echter nog steeds geen cent gezien. De Verzekeringskamer, de 'Nederlandsche Bank' voor het verzekeringswezen, biedt namelijk nog geen financiële tegemoetkoming wanneer het fout gaat.

Inflatiespook
Een ander heikel punt is hoeveel het pensioengeld nog waard is over zo'n twintig tot veertig jaar. Econoom Flip de Kam vreest dat tegen die tijd de hollende inflatie weer zal terugkeren. Dit gebeurt wanneer straks een relatief grote groep welvarende bejaarden een riante hoeveelheid diensten en goederen wil afnemen bij de slinkende werkende bevolking. Dat geeft een opwaartse druk op de lonen en prijzen. De gepensioneerde bezit dan niet, zoals de werkende, de macht om loonsverhoging te eisen. De oplossing van De Kam: investeer in zaken die hun waarde behouden, zoals antiek, kunst, kwalitatief goede port of goud. Allemaal aangename zaken als je al een leuk inkomen hebt. Anders zit je met de vraag wanneer je het te gelde moet maken. Bijna niemand weet vooraf wanneer het laatste levensjaar is aangebroken. Verzamelen en aandelen bezitten zijn pas leuk als je niet in de situatie belandt dat je stukken moet verkopen om je telefoon- of energierekening te betalen. Daarom blijft ook later een vaste maandelijkse pensioenoverschrijving in een digitale, virtuele of een nu nog onvoorstelbare vorm garant staan voor een relaxte levensavond.

ECHTSCHEIDING EN PENSIOEN:
Nu fifty/fifty-verdeling?

Tekst: Marjo Visser

Veroorzaakt 'scheiden' tegenwoordig minder financieel 'lijden' wanneer de pensionering een feit is? Dat klopt, sinds de nieuwe Wet Pensioenverevening bij Scheiding van mei '95. Ook de vrouwen die vóór 1981 zijn gescheiden, krijgen hierdoor mogelijk een iets betere positie, namelijk 25 procent van de pensioenrechten die tijdens het huwelijk waren opgebouwd. De voorwaarden zijn extreem streng. Zo moeten ze achttien jaar getrouwd zijn geweest en in die tijd minstens één kind hebben opgevoed.
"De grootste groep krijgt niets omdat ze niet voldoet aan de voorwaarden", aldus Charlotte d'Saint Aulaire (67) van de Stichting 'Recht op Recht voor '81', die ijvert voor de pensioenrechten van de 'oude gevallen', zoals de politiek hen pleegt aan te duiden. Ze is zelf één van de vele getroffenen die buiten de boot valt, omdat haar huwelijk te kort duurde: zestien jaar. Charlotte: "Maar voor iedereen gold dat je indertijd je baan, als je er al een had, voorgoed vaarwel zei zodra je trouwde of een dikke buik kreeg. Anders kreeg je tot ver in de jaren zestig gewoon je ontslag."
De Stichting 'Recht op Recht voor '81' gaat via proefprocessen aanvechten dat achttien jaar huwelijk en een kind noodzakelijk zijn voor het ontvangen van de schamele 25 procent van de huwelijkse pensioenpenningen.

Koude uitsluiting
Geheel anders is de situatie bij de scheidingen van ná 1981. De minst draagkrachtige krijgt niet alleen 50 procent van de huwelijkse pensioenopbouw, maar ook van de werkzame periode van vóór die tijd. Deze rechten gelden weer niet wanneer er getrouwd was onder huwelijkse voorwaarden met daarin de beeldende notaristerm 'koude uitsluiting', want dan valt er niets te verdelen bij een echtscheiding.
De wetgever besloot echter deze egoïstische uitsluiting geheel te negeren bij de verdeling van de pensioentaart bij echtscheidingen van vóór '81. Hetzelfde geldt voor die van ná mei '95. Voor deze echtbreukers geldt binnen de Wet Pensioenverevening bij Scheiding een eigentijdse regeling. Namelijk de fifty/fifty-verdeling van de huwelijkse pensioenrechten na een echtscheiding.

* De Postbus 51-folder over de Wet Pensioenverevening bij Scheiding bestelt u via tel. 070-3564151;
* Als u de namen niet weet van de pensioenfondsen van uw ex-partner:
Verzekeringskamer, Postbus 9029, 7300 EM Apeldoorn;
* Informatie van de overheid over deze wet: tel. 06-8051;
* Stichting 'Recht op Recht voor '81': tel. 070-3451405.

LAST VAN PENSIOENREPARATIE?
Reparatie: zeer kansrijk

Tekst: Marjo Visser

Viel u als vrouw jarenlang buiten de pensioenregeling van uw werkgever? Dan hebt u waarschijnlijk met terugwerkende kracht recht op pensioenrechten. Maar recht hebben en recht krijgen zijn soms twee verschillende zaken. Juridische vertragingstactieken zijn daar debet aan. Overigens besluiten steeds meer 'grote' pensioenfondsen de gediscrimineerde vrouwen gewoon dat te geven waarop ze recht hebben.

Een schamel - of meestal totaal geen - aanvullend pensioen leek tot voor kort het lot van een groot deel van de parttime werkenden, onder wie 220.000 vrouwen. Vóór mei 1990 was het namelijk voor bijna ieder pensioenfonds een 'normale' gang van zaken om hen uit te sluiten van de pensioenregeling. Dit terwijl het Europese Hof van Justitie al in april '76 besliste dat dit uit den boze is. Deze uitspraak deden de Nederlandse pensioenfondsen af als 'niet ter zake doende'. Dit veranderde in mei 1990 toen het Hof een Engelse firma dwingend verplichtte met terugwerkende kracht tot april '76 de aangerichte schade door discriminatie van pensioenvoorzieningen te herstellen. De pensioenwereld raakte hierdoor in paniek en schreeuwde dat reparatie van vrouwenpensioenen zo kostbaar zou zijn dat het hun ondergang zou worden.
Paulien Portegies, de ombudsvrouw Pensioenen van het Instituut Vrouw en Arbeid: "In werkelijkheid kost reparatie van vrouwenpensioenen maar drie tot vijf miljard, nog geen 1 procent van het totale pensioenkapitaal." Portegies besloot opnieuw uitspraken aan het Europese Hof te ontlokken met de zaak van Anneke Vroege. Deze 46-jarige medewerkster van een koepel van woningbouwcoöperaties vertelt: "In '91 ging ik het als een probleem ervaren dat ik totaal geen pensioen opbouwde. Ik vond het volstrekt onrechtvaardig. Gelukkig dacht de Europese rechter daar op 28 september 1994 net zo over, door nog duidelijker te stellen dat gediscrimineerde vrouwen recht hebben op deelname in het pensioenfonds vanaf 1976." Zij moeten dan weliswaar meestal zelf hun werknemersdeel betalen, maar de werkgever past daar de helft, zo niet 75 of zelfs 100 procent, van de premie bij.
Bovenstaande uitspraak zorgde er niet voor dat Anneke Vroege's pensioenpositie al is verbeterd. De Europese rechter stelde namelijk dat een uitzondering op 'reparatie vanaf '76' mogelijk is als de nationale verjaringstermijnen anders liggen. Nu beroept de werkgever van Anneke zich op een verjaringstermijn van vijf jaar voor loonvorderingen. Hierin kreeg hij gelijk bij de Utrechtse kantonrechter. De advocate van Vroege vindt echter dat dit een verjaringstermijn van twintig jaar moet zijn wegens onrechtmatige daad. Zo dachten overigens ook de kantongerechten van Leiden, Amsterdam en Rotterdam erover. Hiertegen zijn de pensioenfondsen weer in beroep gegaan. Paulien Portegies: "Wanneer vervolgens wordt doorgeprocedeerd tot de Hoge Raad, zijn we vijf à zeven jaar verder. Des te langer ze wachten des te minder hoeven de fondsen te betalen, omdat ieder jaar een bepaald percentage van de rechthebbenden overlijdt."
Een goed voorteken dat het "gezond verstand zal zegevieren" is volgens Paulien Portegies dat de 'grote jongens' al besloten te repareren. Dit zijn het PGGM voor de zorgsector, het ABP voor ambtenaren, het fonds van Ahold en vermoedelijk volgt ook de Detam. Portegies: "Daarnaast herstelden diverse andere pensioenbeheerders de rechten van individuele gediscrimineerde vrouwen in stilte."
Wilt u een claim voor pensioenreparatie indienen, benader dan uw vakbond of het Instituut Vrouw en Arbeid, Postbus 1166, 2502 AR Den Haag.

AOW EN DE POLITIEK

Tekst: Corine Lepoutre

De bijna veertig jaar oude AOW kampt met een serieuze midlifecrisis. De politiek gaat er behoedzaam mee om. Uiteindelijk brak het CDA zijn nek op de AOW. Paars nam het roer over met als uitgangspunt de financiering van de AOW te versterken. Maar wie zal dat betalen?

In het boek 'Tijdbom' stelt econoom Flip de Kam: "De kortzichtigheid van hun politici kan de Nederlanders nog duur komen te staan."
De PvdA verwacht dat de AOW-premie pas in 1998 naar 15,8 procent zal stijgen. Nu is het al bijna zover. Vorig jaar was de premie nog 14,5 procent. Er wordt overigens niet alvast gespaard voor de toekomst. De premies worden meteen omgezet in AOW-uitkeringen. En daar is steeds meer vraag naar. Welke oplossing heeft de PvdA voor de komende decennia, met name voor het jaar 2035 als het aantal bejaarden bijna verdubbeld zal zijn en een kwart van de bevolking uitmaakt? Kan en wil Jan Modaal dan een derde deel van zijn inkomen aan premies afdragen?
"Tot nu toe hebben verantwoordelijken in de politiek te lichtzinnig naar het vraagstuk van de vergrijzing gekeken", verklaart PvdA-pensioenspecialist Jan van Zijl. "Wij zien drie oplossingen voor het op peil houden van dit basispensioen. Doe wat aan sparen, vraag iets aan jongeren en vraag een bijdrage aan ouderen, want een ste
eds groter aantal bouwt een goed pensioen op."
Desondanks belooft de PvdA haar kiezers te pleiten voor een echt welvaartsvaste AOW. In de afgelopen tien jaar lukte dit echter niet, want de AOW ging geleidelijk 6 procent in koopkracht achteruit.
D66 pleit ook al voor een echt welvaartsvaste AOW. Sinds eind jaren tachtig is de oplossing van deze partij het schommelfonds: nu sparen voor later en dit laten dienen als reservebuffer voor barre AOW-tijden. D66-Tweede Kamerlid Francine Giskes vertelt dat het benodigde geld verkregen wordt door de AOW-premie voor iedereen te verhogen.
VVD-fractieleider Bolkestein ten slotte wil de pensioengerechtigde leeftijd verhogen met één of twee jaar. Het mes snijdt zo aan twee kanten. 65-plussers betalen langer AOW-premie en ontvangen later hun uitkering. Op dit moment werkt slechts een kwart van de beroepsbevolking van 55 jaar en ouder. De voorgestelde VVD-maatregel is dus pas doeltreffend als mensen massaal doorwerken tot de pensioengerechtigde leeftijd.

Paul Rosenmöller:
"Ik leid een dubbelleven"

Tekst: Saskia Engbers

Paul Rosenmöller maakte de rekensom vermoedelijk nog niet eerder. Op papier krabbelt hij het jaar 1956: "Mijn geboortejaar, plus 65. Dat betekent dat ik met pensioen ga in 2021." Tegen die tijd zullen de vergrijzing samen met de ontgroening een fiks AOW-financieringsprobleem veroorzaken bij ongewijzigd beleid.

Het Tweede Kamerlid voor GroenLinks meent dat het probleem wordt opgelost wanneer gepensioneerden AOW-premie gaan betalen over hun aanvullend pensioen. Zelf zegt hij te behoren tot de stereotype categorie van dertigers die zich nooit zorgen heeft gemaakt over het eigen pensioen. "Eigenlijk leid ik een dubbelleven: ik doe mijn werk in de Tweede Kamer heel erg los van mijn eigen situatie. Als er in de Kamer wetsvoorstellen worden behandeld over reparatie van pensioenbreuk, ben ik daar - net als iedereen tegenwoordig - erg vóór. Maar ik heb mij nooit verdiept in de pensioenbreuk die ik zelf moet hebben opgelopen."
Als stuwer in de haven was Rosenmöller - zo meent hij althans - zeven jaar lang aangesloten bij het havenpensioenfonds. Toen hij vervolgens vier jaar bij de FNV ging werken als regiobestuurder, kwam hij bij een ander fonds. Sinds 1989 - zijn entree in het parlement - is hij aangesloten bij het ABP. "Ik zou niet weten hoeveel financiële schade ik door die wisselingen heb opgelopen. Koopsompolissen, kapitaalverzekeringen, beleggingen om die breuken te repareren: ik heb er nooit aan gedaan."
Dat anderen wèl spaarpotjes voor hun oude dag creëren, juicht hij alleen maar toe: "Het komt tegenwoordig bijna niet meer voor dat iemand veertig jaar lang bij dezelfde baas werkt. Om die reden vind ik het - al ben ik natuurlijk de laatste die het mag zeggen - wèl essentieel dat je je aanvullende pensioen zoveel mogelijk voor jezelf garandeert. En dat is natuurlijk belangrijker naarmate je minder verdient." Want, zo wil hij wel toegeven, zijn zorgeloosheid is voor een deel ingegeven door zijn riante uitgangspositie. Met een bovenmodaal salaris en de nodige activa uit de familie - Rosenmöller is zoon van een voormalig V&D-directeur annex mede-eigenaar - kan zijn oude dag er in financieel opzicht toch niet belabberd uitzien. Bovendien: "We hebben het over de periode na m'n vijfenzestigste. Dat is nog zo'n verduveld end weg! Wie garandeert mij dat ik er dan nog ben?"

COLUMN

SPAARVARKENS IN PENSIOENLAND STEEDS VETTER

Tekst: Flip de Kam

In bijna geen ander industrieland leggen werknemers en zelfstandigen zoveel opzij om het spaarvarken voor hun oude dag vet te mesten. De pensioenfondsen en levensverzekeraars beheerden tegen het eind van 1994 bijna 725 miljard gulden. Over dat immense vermogen behaalden de pensioenbeleggers in 1994 een rendement van 49 miljard. Samen met 34,4 miljard aan binnenrollende premies ontvingen ze dat jaar in totaal 83,4 miljard gulden. Aan de andere kant van de balans staat dat ze in totaal 32 miljard uitkeerden aan pensioengerechtigden en verzekerden. Dit betekent dat hun vermogen kon groeien met tientallen miljarden guldens. Nog voor de eeuwwisseling zit er vermoedelijk een biljoen gulden in de kas!
Dat het Nederlandse pensioenvarken zo vet is, heeft veel te maken met zijn fiscaalvriendelijke leefomstandigheden. Onder bepaalde voorwaarden geldt voor pensioenbesparingen: nu loon verdienen, maar daarover pas in de verre toekomst belasting betalen. Het deel van de loonkosten dat werkgevers als pensioenpremie storten, wordt bij hun werknemers niet als loon belast. Verder mogen werknemers door hen zelf betaalde, op hun brutoloon ingehouden, pensioenpremies aftrekken bij de berekening van het belastbaar inkomen. Vervolgens behoeven pensioenverzekeraars geen winstbelasting te betalen over de 49 miljard die zijzelf verdienden. Door alle belastingvoordelen die het pensioensparen geniet, blijft op dit moment jaarlijks tegen de 50 miljard van het nationaal inkomen van 660 miljard gulden buiten de greep van de fiscus.
De pensioenpotten lopen de eerstkomende jaren versneld vol, nu het kabinet begin september 1995 akkoord is gegaan met vèrgaande voorstellen van staatssecretaris Vermeend (PvdA). Die behelzen een verruiming van de al zeer royale fiscale privileges voor het pensioensparen met veel nieuwe flexibele mogelijkheden om te reserveren voor na de pensionering. Zo mag de pensioenuitkering straks gelijk zijn aan 100 procent van het laatstgenoten loon. Tot september '95 accepteerde de fiscus hooguit zeventig procent.

Gat in schatkist
Steeds meer Nederlanders zien reikhalzend uit naar het moment waarop ze zelf gebruik kunnen maken van de nieuwe mogelijkheden om met behulp van de fiscus meer te sparen voor later, want men vraagt zich af of de AOW-uitkering in de volgende eeuw nog veel voorstelt. De komende tien tot vijftien jaar zullen de geschetste nieuwe mogelijkheden voor belastingvrij pensioensparen in toenemende mate worden gebruikt. Dat gaat de schatkist op den duur miljarden kosten.
Aan verruiming van de fiscale privileges voor het pensioensparen kleven vier grote bezwaren, waar het kabinet veel te luchthartig overheen is gestapt. Ten eerste heeft de maatregel vrijwel uitsluitend betekenis voor werknemers met een goed salaris. Alleen zij kunnen tijdens hun actieve periode voldoende sparen voor peperdure pensioenverbeteringen. Ten tweede slaat het royale belastinguitstel voor deze groep een gat in de schatkist. Dit gat moet worden gestopt door het tarief van de inkomstenbelasting te verhogen of door belastingen op de consumptie (BTW, accijnzen) op te schroeven. Ten derde wordt belasting-uitstel voor pensioenspaarders vaak belasting-afstel. Aftrek en vrijstelling van betaalde premies en beleggingsopbrengsten leveren veel werknemers nu vijftig of zestig procent belastingbesparing op, terwijl een groot deel van de pensioenuitkeringen in de toekomst is belast tegen het lage bejaardentarief in de eerste schijf van 17 procent.
Ten slotte moeten vraagtekens worden geplaatst bij de verdere groei van het gefacilieerde pensioensparen. Dit mag namelijk uitsluitend bij risicomijdende pensioenfondsen gebeuren. Wie zèlf wil sparen voor z'n oude dag en zijn geld als risicokapitaal aanbiedt, kan veel minder profiteren van belastingvoordelen. Dit werkt verstarring van de economie in de hand. Uiteindelijk zal de te verwachten sterke groei van het pensioensparen ten koste gaan van wat consumenten in de winkel kunnen besteden. Dat terwijl onze economie en werkgelegenheid de komende jaren juist gediend zijn met een uitbundiger ontwikkeling van de particuliere bestedingen.
De ruimere mogelijkheden voor fiscaal gefacilieerd pensioensparen gaan de schatkist en onze economie in de loop van de jaren vermoedelijk dus een hoop averij oplopen.

FISCAALVRIENDELIJKE RESERVEREN

Tekst: Marjo Visser

Kapitaalverzekering
Met een kapitaalverzekering spaart u een bedrag bij elkaar dat doet denken aan de hoofdprijzen van vroegere loterijen. Hiervoor stort u jarenlang een vast bedrag per maand dat, in tegenstelling tot de koopsompolis, geen aftrekpost voor de fiscus is, maar aan het eind van de rit incasseert u een grote geldsom in één keer belastingvrij.
De voorwaarde voor de voordelen die de fiscus biedt, is vijftien jaar spaarzucht. Als u dit volhoudt, kunt u maximaal f 57.000,- belastingvrij innen, bij twintig jaar is dit maximaal f 192.000,-. Wanneer u twee van deze kapitaalverzekeringen afsluit, mogen beide vrijstellingen opgeteld worden. In dat geval kunt u dus f 249.000,- belastingvrij incasseren. Deze maximumbedragen gelden voor het belastingjaar 1995. De zuivere kapitaalverzekering keert helaas uitsluitend uit wanneer u op de einddatum in leven bent. De 'gemengde' variant echter, hevelt het beloofde kapitaal wel over aan de nabestaanden.

Koopsompolis
Een koopsompolis is één van de populaire individuele pensioenvoorzieningen. U kunt deze tot een bedrag van f 5634,- per persoon en f 11.268,- per stel in mindering brengen op het belastbaar inkomen voor '95. Dit valt te regelen tot 1 juni 1996.
Wie een koopsompolis afsluit, doet er goed aan te letten op de kosten die verzekeraars in rekening brengen. Deze kunnen procentueel bijna net zo uiteenlopen als de geprognosticeerde of gegarandeerde eindkapitalen (zie verder de hoofdtekst).
Aan het einde van de looptijd krijgt u het eindbedrag niet in handen, maar moet u er een lijfrente, een jaarlijkse uitkering, voor kopen. Hiervan wil de fiscus zijn deel, maar vermoedelijk betaalt u na uw pensionering minder belasting. Momenteel geldt voor 65-plussers dat zij over de eerste belastingschijf voor de eerste f 44.349,- 16,8 procent, in plaats van 37,65 procent belasting hoeven te betalen.

Groen beleggen
Een perfecte combinatie: belastingvrij pensioenpenningen verdienen en tevens investeren in een betere en schonere leefomgeving. Kortom, straks in een beter milieu genieten van meer geld.
Sinds eind '94 geldt een riante, volledige belastingvrijstelling voor zowel rente als dividend voor beleggers in 'beleggingsfondsen' met groenverklaring. Dit zijn fondsen die beleggen in projecten die van belang zijn voor de bescherming van het milieu, waaronder de instandhouding van natuur en bos. Slechts weinig instellingen bezitten de groenverklaring, want de selectie is heel streng. Eén van hen is de ASN met het Groenprojectenfonds. Daarnaast is ook de ABN Amro op deze nieuwe markt gedoken met het Groen Fonds. Hetzelfde geldt voor de Rabobank en Robeco met het Groenrente Fund. Dat fonds haalde al binnen tien dagen het streefbedrag van 450 miljoen binnen. In de hoofdtekst leest u er meer over.

Spaarloonregeling
Onovertroffen als extra oudedagsvoorziening is de spaarloonregeling. Dit is een nieuwe bedrijfsspaarmogelijkheid. Via de werkgever kunt u f 1580,- van het brutoloon reserveren. Wie een belastbaar inkomen heeft in de 50 procent-schijf, hoeft netto nog maar de helft daarvan te betalen. Koopt u vervolgens een lijfrente van dat geld, dan kunt u dit bedrag nog een keer van het belastbaar inkomen aftrekken. Zo bouwt u dus gratis een mooie reserve op voor later. Als uw inkomen in de 60 procent-belastingschaal valt, is de uitkomst nog positiever voor uw portemonnee. Dan krijgt u namelijk f 316,- cadeau van de fiscus. De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

Vermogensgroeifonds
Een vermogensgroeifonds is interessant voor wie al gebruik heeft gemaakt van zowel de rente- als de dividendvrijstelling. Het fonds keert bewust geen rechtstreekse rente of dividend uit over uw tegoed. De opbrengst wordt toegevoegd aan het eigen vermogen van het fonds, zodat er later alleen vennootschapsbelasting over verschuldigd is. Deze bedraagt maar 35 procent, dus het overwegen waard voor iedereen die een hoger percentage belasting betaalt.